X
GO

Pedagogische visie

“Men dient niet te vragen: wat moet de mens weten en kennen voor de bestaande sociale orde? Maar : wat is in de mens in aanleg aanwezig en wat kan in hem ontwikkeld worden? Dan zal het mogelijk zijn de sociale orde steeds nieuwe krachten toe te voeren uit de opgroeiende generatie. Dan zal altijd datgene in die orde leven wat de tot haar toetredende volledige mensen ervan maken; daarentegen zal niet van de opgroeiende generatie gemaakt worden wat de bestaande sociale organisatie ervan wil maken”

Rudolf Steiner

De kern van de onderwijsvisie staat hierboven verwoord. “Opvoeden is geen vat vullen, maar een vlam ontsteken”. Alle activiteiten die met de leerlingen op de school worden ontplooid zijn bedoeld om bij te dragen aan de individuele ontwikkeling van de leerling. Daarbij wordt gestreefd naar een evenwichtige ontwikkeling van de wil, het gevoel en het denken. Zo krijgen cognitieve, kunstzinnige en sociale vorming gelijkwaardig aandacht. Niet de leerstof, maar de ontwikkelingsmogelijkheden op een bepaalde leeftijd en de individuele mogelijkheden van de leerling staan centraal. We spreken daarom van ontwikkelingsstof omdat de leerling zich aan de stof moet ontwikkelen. Leeftijd- en ontwikkelingsfase  vormen de basis voor de opbouw van het leerplan.

In de kleuterperiode wordt vooral het gebied van de wil aangesproken. In de onderbouw (basisschoolonderwijs) ligt de nadruk op de ontwikkeling via het gevoelsleven. In het voortgezet vrijeschoolonderwijs staat ontwikkeling via het denken en het oordelen centraal. De gehele opvoeding is er onder andere op gericht om jonge mensen hun mogelijkheden en idealen te laten ontdekken, opdat zij een goede keuze kunnen maken voor hun levens- en beroepsinvulling. Idealen en interesses kunnen jonge mensen alleen ontdekken wanneer zij in contact komen met veel verschillende vakken en disciplines. Voor het leerplan van het voortgezet vrijeschoolonderwijs betekent dit dat leerlingen kennis maken met zoveel mogelijk aspecten van de maatschappij en de cultuur. Om die reden volgen de leerlingen een veelheid aan vakken. Ondanks het accent op de ontwikkeling van het denken en het oordeelsvermogen blijkt gedurende het gehele traject een evenwichtige ontwikkeling van wil, gevoel en denken van het grootste belang. Vakken als handvaardigheid, tekenen, muziek, drama, euritmie, smeden, koor dragen daartoe met name bij; daarom wordt een aantal vakken tot het einde van de schoolloopbaan gegeven.


Jaarkarakteristieken: in elke klas zijn ze (een beetje) anders…

Vrijeschool opvoedkunst gaat over ontwikkeling van jonge mensen. De jaar​karakteristieken zijn een hulpmiddel om zicht te krijgen op de ontwikkelingsfase van de leerling; tevens helpen ze om met meer precisie en aandacht naar leerlingen en klassen te kijken; de bijzonderheden te kunnen waarnemen die elke leerling en ook iedere klas laat zien. En de leerling en de klas beter te kunnen begeleiden.

In de karakteriseringen wordt gesproken over onderbouw, middenbouw en bovenbouw.

onderbouw
Met onderbouw bedoelen wij alle klassen van de basisschool.
middenbouw
De middenbouw zijn de eerste twee klassen van het voortgezet onderwijs, de brugklassen.
bovenbouw
Met bovenbouw wordt klas 9 t/m 12 aangegeven.


  • 7e klas
  • 8e klas
  • 9e klas
  • 10e klas
  • 11e klas
  • 12e klas

Thematiek:

Ontdekkingsreizen, nieuwe werelden ontdekken, de renaissance-mens.
De 7e klasser is nog onderbouwer. In het kunstzinnige wordt vooral nog aan de eigen fantasiekrachten geappelleerd (meer stemmingsbeelden dan vaste vormen, openhouden van de fantasie). Lesstof wordt nog op een beeldende, niet intellectuele, analytische manier aangeboden.

Enerzijds wordt in dit schooljaar de kroon gezet op alles wat in de voorgaande jaren is geleerd. Anderzijds worden er vragen opgeroepen, die hun beantwoording pas krijgen in de bovenbouw.

Er is wakkerheid voor feiten (waarnemen), een wil tot redeneren (een eerste begin tot oordeelsvorming) en een eerste aanzet tot abstraheren. Er is een wil om te werken en de wereld te veroveren. Er worden grenzen opgezocht en confrontaties aangegaan.

Er is nog behoefte aan de vertrouwde autoriteit van de leerkracht, maar tegelijkertijd ook de behoefte om zich af te zetten. Ditzelfde kan gelden voor de verhouding tot klasgenoten.

Thematiek:

De 8e klasser is nog niet echt bovenbouwer, deze klas is de laatste middenbouwklas. Dat impliceert, dat niet “het denken”, maar “het voelen” nog centraal staat. In het kunstzinnige wordt nog steeds vanuit de fantasie gewerkt, maar van daar uit al meer naar de vorm. Het leerplan toont al meer ambachtelijkheid dan in klas 7.

De 8e klasser toont allereerst nog belangstelling voor en verbazing over feiten, meer dan over verbanden: niet “het waarom” maar “het hoe” is interessant. Causaliteit is nog niet echt aan de orde. Het gaat om de vaste structuren: grammatica in de taal, het skelet in de biologie, van de wiskunde eveneens het geraamte, nl. de algebraïsche rekenregels en vergelijkingen; basisvaardigheden oefenen.

De 8e klasser zoekt helderheid en vertrouwen. Ook zoekt hij naar verandering. Hij heeft nog steeds behoefte aan de docent als autoriteit, tegen wie hij zich echter ook afzet.

Thematiek:

Klas 9 is de eerste echte bovenbouwklas. Het gevoelsleven verzelfstandigt, er ontstaat een eigen “binnenruimte”. Een nieuwe verhouding tot de “buitenruimte” moet gevonden worden. Vanuit de puberteit ontdekt de leerling langzamerhand wie hij zelf is, los van zijn omgeving. Dit geeft veel beweging, chaos en disharmonie. Tegenstellingen en de verhouding binnen- en buitenwereld zijn thema’s. De 9e klasser leeft in uitersten en is nogal fysiek gericht in zijn confrontatie met zijn omgeving. Er is meer affiniteit tot het ambachtelijke dan tot het kunstzinnig beeldende.

In zijn onzekerheid zoekt de 8e klasser steun en bevestiging in de groep. De docent is niet meer de vanzelfsprekende autoriteit, maar moet deze positie verdienen, door zijn vakkennis en door hoe hij zich manifesteert als mens.

Het eigen oordeelsvermogen ontwaakt. Kenmerkend is de neiging tot zwart-wit oordelen, zonder nuances. Er is een grote drang naar zelfstandigheid, naar het zelf leren, het zelf vormgeven, het zelf doelen stellen, het zelf leren omgaan met sympathie en antipathie.

Vergeleken met de vorige zevenjaarsfase (7-14) komt nu het denken meer centraal te staan. Het (causale) denken heeft vooral nog betrekking op concrete, tastbare zaken. De 9e klasser leert het denken kennen als middel om structuur aan te brengen in de eigen chaos. Hij leert te vertrouwen op zijn eigen denken.

Een centraal begrip in de bovenbouwleeftijd is het begrip oordeelsvorming. Oordeelsvorming is een vrij complex vermogen, dat zich door de vier bovenbouwjaren heen ontwikkelt en dat elk volgend jaar weer anders van karakter is. Het hangt samen met de ontwikkeling van het denken door deze jaren heen, en met de ontwikkeling van de individuele gevoels- en wilsmatige verbinding met de wereld.

Het oordelen ligt in klas 9 nog dicht tegen de concrete waarnemingswereld aan. Het oordeel is een waarnemingsoordeel: het wordt opgebouwd uit waargenomen feiten. Voor de leerstof geldt: zo concreet mogelijk en niet te veel theorie.

Praktische oordeelsvorming. “De waarneming in het denken.”
Leren vertrouwen op het causale, logische denken, als middel om vat op de buitenwereld te krijgen.

Thematiek:

Een verdergaande individualisering treedt op; er ontstaat “meer binnenwereld”. De eigen positie ten opzichte van omgeving wordt meer een item. Eenzaamheidsgevoelens zijn kenmerkend; de kloof tussen binnen- en buitenwereld is maximaal. Dit betekent ook: affiniteit tot wetenschappelijke waarneming en objectiviteit. In het oordelen ontstaat ruimte voor nuances en voor harmonie en ritme. Ook in het kunstzinnige worden nieuwe werkelijkheden objectief en kritisch weergegeven. Vorm en kleur worden weer mogelijk. Impressionisme.

Het (causale) denken wordt omvattender en meer theoretisch van aard, wel betrekking hebbend op de waarnemingswereld, maar daar minder rechtstreeks op leunend. Het accent verschuift van kennis naar inzicht. De aandacht komt meer te liggen op grote lijnen en omvattende verbanden. Het is belangrijk dat theorie en werkelijkheid met elkaar verbonden worden. Dat wat vanuit het denken is ontwikkeld, blijkt ook in de wereld te verschijnen. Vanuit een omvattend theoretisch kader kan de werkelijkheid waargenomen, begrepen en ook beheerst worden.

Het oordeel wordt meer naar binnen genomen. Het denken kan meer als innerlijke beweging worden ervaren. Theoretische oordeelsvorming ontstaat.

De 10e klas is in zekere zin afsluitend: ”Ik kan nu van alles, maar als ik verder ga wordt het alleen maar meer van hetzelfde.” (causaliteit). Pas in klas 11 blijkt dat toch iets anders te liggen.

Theoretische oordeelsvorming. “Het denken in het denken”
Leren beheersen van het causale denken, als middel om de wereld te onderzoeken en te begrijpen.

Thematiek:

De derde levensconfrontatie met de eigen grenzen, na dit al eerder tegengekomen te zijn omstreeks het 3e en 10e levensjaar: een nieuwe verhouding tussen binnen- en buitenwereld dient zich aan.

De grote kloof tussen binnen- en buitenwereld bij de 10e klasser kan in de 11e klas overbrugd worden door het ontwakend besef van iets als individuele ontwikkeling. Hij is zelf medespeler op het wereldtoneel aan het worden. Hij zoekt zijn eigen idealen. Innerlijke motivatie wordt belangrijk. Ín de 11e klas staat het middeleeuwse verhaal van ridder Parcival centraal als speigelverhaal voor de eigen zoektocht van de leerling. De keuze voor de Vrijeschool (of niet) moet nu echt een eigen keuze zijn. (Wie het alleen om een diploma gaat, kan dat elders wellicht met minder moeite halen.) In Duitsland worden vrijeschoolleerlingen vanouds vanaf klas 11 door de docenten met Sie (i.p.v. du) aangesproken. Dit duidt op een, vanaf nu, meer gelijkwaardige verhouding tussen leerling en docent.

Denken en oordeelsvorming veranderen van karakter. Het oordeel wordt persoonlijker. De wereld wordt meer innerlijk beleefd. Ook kunstzinnig is er sprake van een meer persoonlijke interpretatie van de werkelijkheid (expressionisme).

Als waarnemer maak je zelf deel uit van de waarnemingswereld. De beoordeling van de waargenomen wereld hangt af van het standpunt dat je als waarnemer inneemt. Het oordeel zegt niet alleen iets over de waargenomen wereld, maar ook over de waarnemer zelf. De keuze voor bv. een theoretisch model van de werkelijkheid impliceert een inhoudelijk standpunt, soms een mens-, maatschappij- of wereldbeeld. Een afweging van waarden en normen is aan de orde. Er ontstaat meer inlevingsvermogen en respect voor andere dan de eigen normen en waarden.

Het causale denken is hier niet meer toereikend; het denken verandert van causaal naar finaal. Als waarnemer neem je hoe dan ook altijd een standpunt in. Dat standpunt bepaalt bv. de vragen die je aan de wereld stelt. En dat bepaalt weer welke antwoorden je krijgt. Een doel in de 11e klas is te leren de juiste vragen te stellen om de wereld en de eigen plaats daarin te begrijpen. Het oordeelsvermogen wordt persoonlijker.
In de leerstof kan dezelfde werkelijkheid vanuit verschillende standpunten worden bekeken.

Bezielde oordeelsvorming. “Het voelen in het denken”
Het denken voorbij de causaliteit: het finale denken, het modelmatige denken.

Thematiek:

De 12e klas rondt de schoolloopbaan af en vormt tevens de aanzet tot een nieuw begin. Enerzijds overzicht en afronding, anderzijds verdieping en doordringen tot de essentie. Metamorfose is vanouds een thema in klas 12. De leerling ontdekt zichzelf als zelfstandig individu middenin de wereld. In de 12e klas krijgt hij hiervoor alle ruimte. Totstandkoming van een vrij kunstenaarsschap wordt mogelijk.

De leerling moet merken, dat het denken niet een soort raster is, maar dat elk onderwerp zijn eigen soort oordeel vraagt. De oordeelsvorming wordt meer individueel en kan bijna een soort scheppend proces zijn.

Na het causale en het finale denken moet het morele in het denken ook aan bod komen: b.v. in de wetenschap de vraag “Mag alles, wat kan?”

Beweeglijkheid en verbeeldingskracht als noodzakelijke voorwaarden voor een denken dat de toekomst mede kan vormgeven. Het “metamorfose-denken”.

Het idealisme uit de 11e klas moet nu worden geaard. Idealen en realiteit moeten met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Eigen initiatieven, ontwerpen en projecten wekken vertrouwen in geven zicht op het eigen kunnen.

Geïndividualiseerde oordeelsvorming. “Het willen in het denken.”
Hoe praktiseer ik mijn denken toekomst- of ontwikkelingsgericht: het morele denken, het metamorfose-denken.